Psalm 126

Psalm 126

Psalm 126 – Een pelgrimslied

Toen de Heer het lot van Sion keerde,
Was het of wij droomden,
Een lach vulde onze mond,
Onze tong brak uit in gejuich.

Toen zeiden alle volken:
‘De Heer heeft voor hen iets groots verricht.’
Ja, de Heer had voor ons iets groots verricht,
We waren vol vreugde.

Keer ook nu ons lot, Heer,
Zoals u water doet weerkeren in de woestijn.
Zij die in tranen zaaien,
Zullen oogsten met gejuich.

Wie in tranen op weg gaat,
Dragend de buidel met zaad,
Zal thuiskomen met gejuich,
Dragend de volle schoven.

Psalm 126 ons leert om ons niet te laten verlammen door onze tranen maar om er iets mee te doen: zaaien.

Kunnen wij tranen als zaad zien? Of zien wij tranen alleen als verdriet dat zo snel mogelijk voorbij moet zijn. Vaak denken we: ‘Als het verdriet voorbij is kunnen we weer verder leven’.
In deze Psalm leren we dat tranen zijn als zaad. Dat is anders tegen een situatie aankijken dan we gewend zijn. Kunnen we onze tranen zien als iets moois? Wie durft het aan om op weg te gaan en het verdriet niet te omzeilen maar te zien als iets waardevols? Tranen in de ‘woestijntijden’ en de emotie ‘huilen’ horen daarbij, maar dit zien als iets moois is iets waar ik niet meteen aan denk.
In deze psalm lezen we over tranen en juichen, en over zaaien en oogsten. Dit wordt in één adem genoemd.

Belangrijk om te weten wie er dan zaait.
In Psalm 56 schreeuwt David het uit naar God ‘Mijn omzwervingen hebt U opgetekend, vang mijn tranen op in uw kruik. Staat het alles niet in Uw boek?’.
Wij zaaien niet de tranen maar God wil ze graag opvangen. David voelt dat God zuinig is op de tranen. God verzameld de tranen. Hij kan er blijkbaar iets mee. Het gaat hier om de tranen die gehuild worden van het echte verdriet. Tranen die diep uit je binnenste komen daar kan God iets mee. Hij laat die niet zomaar ergens in de aarde verdwijnen. God wil die zorgvuldig opvangen in een kruik en ermee zaaien op plaatsen waar het vruchtbaarheid geeft. Dit zaaien en de vruchtbare grond zorgt voor een rijke oogst.

In Openbaringen 21 : 4 staat ook iets over tranen. ‘Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij’.
Dit is het vooruitzicht waar we naar toe gaan. Er komt een tijd dat er geen tranen meer nodig zijn.
Tot die tijd kunnen tranen juwelen zijn voor God en is Hij blij als we de tranen van ons diepe verdriet aan Hem willen geven. Hij kan er iets mee.

Is dat makkelijk? Nee, want dat thuis komen doe je met zware volle schoven. Een last die je draagt. Het is hard werken, die schoven zijn zwaar, het kost je kracht en is inspannend.
Tranen als zaad.
Tranen die je helpen om juichend thuis te komen.

Dat is nog eens omdenken. ?